Oefenen met persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Nederlands · 2e jaar Vmbo-t
Oefenblad: Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
In het Nederlands maken we een duidelijk verschil tussen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoorden. Een persoonlijk voornaamwoord vertelt wie of wat de handeling uitvoert (zoals 'ik', 'jij', 'hij' of 'wij'). Een bezittelijk voornaamwoord laat zien van wie iets is; het geeft een eigendom aan (zoals 'mijn', 'jouw', 'zijn' of 'onze'). Denk als ezelsbruggetje bij het bezittelijk voornaamwoord: 'is het van mij, van jou, of van hem?'. Let op: Gebruik een persoonlijk voornaamwoord als onderwerp of lijdend voorwerp in de zin, en een bezittelijk voornaamwoord als je aangeeft wie de eigenaar is.
Vraag 1
Sorteer de onderstaande woorden in de juiste categorie. Kijk goed of het voornaamwoord persoonlijk is of dat het iets bezit (bezittelijk).
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Persoonlijk voornaamwoord |
| 2 | Bezittelijk voornaamwoord |
| ik | |
| mijn | |
| jij | |
| jouw | |
| hij | |
| zijn | |
| wij | |
| ons | |
| jullie | |
| hun |
Vraag 2
Lees onderstaande tekst over een sportmiddag. Markeer in de tekst alle persoonlijke voornaamwoorden (zoals ik, jij, hij, het, zij, wij, jullie, ze). Let op: markeer alleen de persoonlijke voornaamwoorden, dus geen bezittelijke voornaamwoorden zoals 'mijn' of 'jouw'.
Ik ga vandaag tennissen met mijn vriend. Hij heeft een nieuw racket gekocht. Wij vinden het erg spannend. Jij komt toch ook kijken? Zij wilde eigenlijk gaan zwemmen, maar ze heeft geen badpak. Wij hopen dat jullie snel komen.
Vraag 3
Kies in onderstaande zin het juiste bezittelijk voornaamwoord.
Dit is …… tas, niet die van jou.
- A.mij
- B.mijn
- C.me
- D.mijner
Vraag 4
Vul het juiste persoonlijk voornaamwoord in de zinnen hieronder in. Kies uit: ik, mij, hij, hem, zij, haar, wij, ons, hen.
1. Gisteren zag 1 (ik) de nieuwe film in de bioscoop.
2. De docent vroeg of 1 (hij) mee wilde gaan naar het schoolfeest.
3. Het cadeau voor Sarah is voor 1 (zij) gekocht.
4. Wij gingen op vakantie en namen onze hond mee met 1 (wij).
Vraag 5
Kies het juiste woord voor in de zin: "Ik heb ... gisteren nog gesproken bij de voetbaltraining."
- A.jouw
- B.jou
Vraag 6
Verbind de zin in de linkerkolom met de juiste zin in de rechterkolom. Let op: het persoonlijk voornaamwoord verandert in het bijbehorende bezittelijk voornaamwoord.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Ik ben mijn sleutel kwijt. | Dit is haar boek. |
| Jij hebt een nieuwe fiets gekocht. | Dit is jouw fiets. |
| Wij gaan vandaag naar Artis. | Dit is ons uitje. |
| Zij (enkelvoud) leest een boek. | Dit is jullie hond. |
| Jullie hebben een hond. | Dit is mijn sleutel. |
Vraag 7
Vul in de onderstaande tabel het juiste bezittelijk voornaamwoord in dat past bij het persoonlijk voornaamwoord. Let op: het bezittelijk voornaamwoord moet verwijzen naar de persoon uit de eerste kolom.
| Persoonlijk voornaamwoord | Bezittelijk voornaamwoord |
|---|---|
| Ik | |
| Jij | |
| Hij | |
| Wij | |
| Zij (meervoud) |
Vraag 8
Schrijf zelf drie zinnen over het onderwerp 'reizen'. Gebruik in elke zin de juiste voornaamwoorden:
- Schrijf een zin met één persoonlijk voornaamwoord (zoals: hij, zij, wij, ons).
- Schrijf een zin met één bezittelijk voornaamwoord (zoals: mijn, jouw, zijn, onze).
- Schrijf een zin met zowel een persoonlijk als een bezittelijk voornaamwoord.