Verwijswoorden: correct verwijzen
Nederlands · 3e jaar Havo
Oefenblad: Verwijswoorden in teksten
Verwijswoorden zijn handig om zinnen aan elkaar te koppelen. Het belangrijkste is dat je weet welk woord (het antecedent) je wilt vervangen. In het Nederlands kijken we naar het geslacht van het woord: bij mannelijke woorden gebruik je hij/hem/zijn, bij vrouwelijke woorden kies je voor zij/haar, en bij onzijdige woorden (de 'het'-woorden) gebruik je het/zijn. Twijfel je over het geslacht? Kijk dan of het woord een 'de' of 'het' heeft: 'de'-woorden zijn vaak mannelijk of vrouwelijk, 'het'-woorden zijn altijd onzijdig.
Vraag 1
Kies het juiste verwijswoord voor de zin hieronder:
De moderne computer, _______ veel sneller is dan het oude model, staat op mijn bureau.
- A.die
- B.dat
Vraag 2
Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in (deze, dit, die of dat):
- Ik vind 1 mooie bril (de bril) echt heel stijlvol.
- Kan jij 1 oude boek (het boek) even uit de kast pakken?
- Heb jij 1 vogel (de vogel) daar in de verte ook gezien?
- Ik weet zeker dat 1 huis (het huis) aan de overkant leegstaat.
Vraag 3
Onderstreep in de onderstaande zinnen elk verwijswoord (zoals 'die', 'dat', 'hij', 'ze', 'haarzijn').
1. De nieuwe leraar, die erg aardig is, geeft vandaag zijn eerste les. 2. Het boek staat in de kast, maar het is eigenlijk van de bibliotheek. 3. De leerlingen maken de opdrachten, want die moeten voor morgen echt af zijn.
Vraag 4
Sorteer de onderstaande zelfstandig naamwoorden naar het juiste verwijswoord. Kijk goed of je naar het woord verwijst met 'zijn' (mannelijk of onzijdig) of 'haar' (vrouwelijk).
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Verwijst met: zijn |
| 2 | Verwijst met: haar |
| Het boek | |
| De auto | |
| Het meisje | |
| De fiets | |
| De koning | |
| De kamer |
Vraag 5
Vul in de onderstaande tabel de juiste vorm in (enkelvoudig of meervoudig) voor de ontbrekende verwijswoorden of werkwoorden.
| Zin | In te vullen vorm |
|---|---|
| De jury is erg verdeeld; ... (zij/deze) zijn het niet met elkaar eens. | |
| De organisatie heeft al ... (haar/hun) eigen besluit genomen over de nieuwe regels. |
Vraag 6
Lees onderstaande tekst over een nieuw sportproject. In de tekst staan drie fouten in de verwijzende woorden (zoals 'hij', 'dat', 'die', 'ze').
"Veel jongeren melden zich aan voor de nieuwe sportclub in het centrum. Deze club is populair omdat het goede faciliteiten biedt. De organisator is erg trots op de sportclub, die veel tijd en energie heeft gekost om op te zetten. Wanneer de jongeren de zaal binnenkomen, merkt hij direct dat de sfeer erg fijn is."
Onderstreep de drie foutieve verwijzingen in de tekst en schrijf hieronder per fout op welk woord er eigenlijk had moeten staan.
Vraag 7
Schrijf drie losse zinnen over je schooldag. Verwerk in elke zin een verwijzing naar een onderwerp dat je al eerder noemde. Gebruik in deze zinnen achtereenvolgens:
- Een verwijzing naar een 'de'-woord (bijvoorbeeld: de docent -> hij/die).
- Een verwijzing naar een 'het'-woord (bijvoorbeeld: het rooster -> het/dat).
- Een verwijzing naar een persoon (bijvoorbeeld: mijn vriend -> hij/haar/die).
Leg na elke zin kort uit welk verwijswoord je hebt gekozen en naar welk woord dit terugverwijst.
Vraag 8
Kies het juiste verwijzwoord in de onderstaande zin. Let op het verkleinwoord.
"Het meisje heeft haar fiets buiten laten staan, maar ....... is inmiddels gestolen."
- A.die
- B.dat
- C.deze
- D.het