Ga naar inhoud

Het Naamwoordelijk Gezegde: Verdieping1 vwo

Heb je voor je 1 vwo-les Nederlands extra oefenmateriaal nodig over het naamwoordelijk gezegde? Dit werkblad met 8 gevarieerde opdrachten helpt leerlingen het verschil tussen een koppelwerkwoord en zelfstandig werkwoord te doorgronden. Print het direct uit of pas de tekst aan naar de behoefte van je klas.

Werkblad

Het Naamwoordelijk Gezegde: Verdieping

Nederlands · 1e jaar Vwo

Verdieping: De geheimen van het naamwoordelijk gezegde

In de zin 'Het boek is dik' vertelt 'is' alleen dat het boek bestaat in die staat, terwijl 'dik' iets zegt over het boek zelf. Dit noemen we een naamwoordelijk gezegde (NG). Bij een werkwoordelijk gezegde (WG) is de actie het belangrijkste deel, zoals in 'Het boek valt'. Denk bij het ontleden dus altijd: geeft het werkwoord zelf de handeling aan, of vormt het slechts een bruggetje naar een eigenschap of toestand?

Vraag 1

Markeer in de onderstaande zinnen de delen die samen het naamwoordelijk gezegde vormen. Let op: het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord (worden, zijn, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen) en een naamwoordelijk deel.

1. Is die jongen eigenlijk wel de winnaar geworden van de wedstrijd? 2. Hoewel het project nogal ingewikkeld schijnt, zullen de resultaten waarschijnlijk uitstekend blijken.

Vraag 2

Bekijk de volgende zin: "De zeldzame blauwe vlinder blijft geduldig op het witbloeiende takje zitten." Welke uitspraak over het gezegde van deze zin is juist?

  • A.Het is een naamwoordelijk gezegde omdat "blijft" een koppelwerkwoord is.
  • B.Het is een werkwoordelijk gezegde omdat alle woorden in het gezegde samen een handeling of toestand uitdrukken zonder koppelwerkwoord dat een naamwoord verbindt.
  • C.Het is een naamwoordelijk gezegde met het hulpwerkwoord "blijft" en het naamwoordelijk deel "zitten".
  • D.Het is een werkwoordelijk gezegde, maar alleen het woord "blijft" hoort bij het gezegde.

Vraag 3

Onderzoek de rol van het werkwoord in de onderstaande zinnen. Categoriseer elk vetgedrukt werkwoord als 'Koppelwerkwoord' (het verbindt het onderwerp aan een eigenschap) of 'Zelfstandig werkwoord' (het drukt een handeling of toestand uit). Let op: sommige werkwoorden kunnen in andere zinnen een andere rol spelen.

Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.

Categorieën
1Koppelwerkwoord
2Zelfstandig werkwoord
De nieuwe leraar lacht hard om de mop.
Dit oude gebouw vormt een gevaar voor voorbijgangers.
Na de zware training blijkt hij erg vermoeid.
Zij loopt elke dag naar het park.

Vraag 4

Soms is een zin niet alleen een actie, maar vertelt de zin iets over de toestand van het onderwerp. Hiervoor gebruiken we een naamwoordelijk gezegde. Verzin zelf twee zinnen met een naamwoordelijk gezegde die gaan over het thema "sport". Ontleed daarna in elke zin het koppelwerkwoord (kww) en het naamwoordelijk deel (nwd).

  1. Zin 1:
  2. Zin 2:

Vraag 5

Soms lijken zinnen op een naamwoordelijk gezegde, maar zijn ze dat niet. Markeer alleen de zinnen die een echt naamwoordelijk gezegde bevatten (bestaande uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel).

1. Hij is de burgemeester van deze stad. 2. Zij staat de hele dag te koken in de keuken. 3. Dat bleek een enorme vergissing te zijn. 4. Mijn broer wordt morgen achttien jaar. 5. Het is tijd om naar bed te gaan.

Vraag 6

Sommige werkwoorden kunnen afhankelijk van de betekenis zowel een koppelwerkwoord als een zelfstandig werkwoord zijn. Analyseer de onderstaande zinnen. Vul voor elk werkwoord in de tabel de functie (koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord) in en benoem of de zin een naamwoordelijk gezegde (ng) of werkwoordelijk gezegde (wg) bevat.

ZinWerkwoordFunctieGezegde
Hij raakte de bal.raakte
Hij raakte gewond.raakte

Vraag 7

Lees onderstaande tekst over een duurzaam festival. In de tekst staan drie naamwoordelijke gezegden.

Tekst: "Het festivalterrein ziet er dit jaar heel milieuvriendelijk uit. De organisatie is erg trots op het resultaat. Veel bezoekers worden enthousiast van de vele zonnepanelen die overal staan."

Stap 1: Onderstreep de drie naamwoordelijke gezegden in de tekst.

Stap 2: Leg bij elk van deze drie gezegden uit waarom het een naamwoordelijk gezegde is. Wat is het werkwoord en wat zegt het naamwoordelijk deel over het onderwerp?

Vraag 8

Onderzoek de volgende zinnen. In elke zin wordt een naamwoordelijk gezegde gebruikt. Koppel het naamwoordelijke deel (het deel achter het koppelwerkwoord) aan de juiste zin.

BegripDefinitie (in willekeurige volgorde)
Mijn beste vriend issteeds kouder
Deze pittige soep wordtvrolijker dan gisteren
Jij lijkt vandaageen prachtig monument
Die oude woning blijfteen echte doorzetter

Dit werkblad, mét antwoorden, in je eigen omgeving

Maak een gratis account en dit werkblad staat direct voor je klaar: antwoordmodel erbij, elke vraag aanpasbaar en te downloaden als Word of PDF.

Meer werkbladen Nederlands

FAQ

Vragen over de werkbladen

Ja. Alle openbare werkbladen zijn gratis te gebruiken in je les. Wil je het werkblad downloaden als Word of PDF, of de antwoorden bekijken, dan maak je een gratis LesLoket-account aan.