Aan de slag met verwijswoorden
Nederlands · 3e jaar Vmbo-g
Aan de slag met verwijswoorden
In het Nederlands zijn de lidwoorden 'de' en 'het' heel belangrijk. Ze vertellen je namelijk welk verwijswoord je moet gebruiken. Bij een 'de-woord' (zoals 'de tafel') hoort meestal 'hij' of 'die'. Bij een 'het-woord' (zoals 'het boek') hoort meestal 'dat'. Door goed naar het lidwoord te kijken, maak je nooit meer een fout in je verwijzingen!
Vraag 1
Plaats de onderstaande woorden in de juiste categorie: is het een 'de-woord' of een 'het-woord'?
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | De-woorden |
| 2 | Het-woorden |
| tafel | |
| boek | |
| fiets | |
| raam | |
| meisje | |
| bloem |
Vraag 2
Kies het juiste verwijswoord voor de onderstreepte woorden in de zin hieronder.
Ik heb eindelijk het nieuwe boek geleend van de bibliotheek, maar ... heb ik nog niet uitgelezen.
- A.die
- B.dat
- C.deze
Vraag 3
Vul de juiste verwijswoorden in het onderstaande Whatsapp-bericht in. Kies uit: die, dat, waarvan of waarmee.
Hey! Heb jij dat document al gezien 1 de docent net in de groep deelde? Ik snap het huiswerk 2 ik moet maken echt niet. Het is een opdracht 3 eigenlijk super saai is. Weet jij misschien de app 4 je de antwoorden makkelijk kunt vinden?
Vraag 4
Onderstreep in de onderstaande zinnen het verkeerde verwijswoord. Schrijf daarna de juiste vorm op. Let goed op het geslacht van het woord (de-woorden of het-woorden).
1. Ik heb mijn nieuwe fiets in de schuur gezet, want die rijdt erg fijn. 2. Het meisje is haar tas vergeten, omdat hij onder de bank ligt. 3. Heb jij de brief naar opa gestuurd? Ik hoop dat die hem gisteren heeft gekregen.
Vraag 5
Koppel de zinnen aan het juiste antecedent (het woord waar het onderstreepte verwijswoord naar verwijst).
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| De docent gaf complimenten aan de leerlingen, omdat zij zo goed hadden gewerkt. | Sara |
| Het boek ligt op tafel, maar het is erg oud. | de honden |
| Sara gaat naar haar moeder, want zij heeft hulp nodig. | het boek |
| De honden blaffen hard omdat ze vreemden zien. | de leerlingen |
Vraag 6
Bekijk de onderstaande zin. Is het verwijswoord in deze zin correct gebruikt? Kies het juiste antwoord.
De vereniging hield haar jaarvergadering, maar het was erg slecht bezocht door de leden.
- A.Ja, het verwijswoord 'het' verwijst correct naar 'de vereniging'.
- B.Nee, het moet 'ze' zijn, want het verwijst naar een de-woord (de vereniging).
- C.Nee, het moet 'die' zijn, want het verwijst naar de jaarvergadering (een de-woord).
- D.Nee, het moet 'haar' zijn, want het verwijst naar de leden.
Vraag 7
Bekijk de onderstaande tabel. In de tweede zin verandert het verwijswoord omdat het woord waarnaar verwezen wordt (het antecedent) van geslacht of getal verschilt. Vul in de tabel in naar welk woord het verwijswoord in de tweede zin verwijst en verklaar waarom je voor dit woord kiest.
| Zin 1 | Zin 2 | Verwijst naar | Reden |
|---|---|---|---|
| Ik zoek naar de oude fiets. Hij is gestolen. | Ik zoek naar het oude slot. Dat is kapot. | ||
| De docent geeft uitleg. Die vindt het belangrijk. | De docenten geven uitleg. Die vinden het belangrijk. |
Vraag 8
Lees de onderstaande tekst. In deze tekst zijn de verwijswoorden (zoals 'die', 'dat', 'hij', 'het') onduidelijk of fout gebruikt. Herschrijf de tekst zodat het voor de lezer meteen duidelijk is naar welk zelfstandig naamwoord elk verwijswoord verwijst.
Tekst: 'De leerling sprak met de docent over zijn rapport. Dat was erg streng volgens hem. Daarom vroeg hij om uitleg, maar die begreep het niet goed.'