De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
Nederlands · 1e jaar Vmbo-g
Oefenen met de persoonsvorm: Tegenwoordige tijd
Om de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd te bepalen, gebruik je altijd de 'ik-vorm' als basis, ook wel de stam genoemd. Bij 'ik' schrijf je de stam. Bij de andere enkelvoudsvormen (hij, zij, het, u) neem je de stam en plak je er een 't' achter. Voor de meervoudsvormen (wij, jullie, zij) gebruik je simpelweg het hele werkwoord zoals het in het woordenboek staat.
Vraag 1
Vul de juiste ik-vorm in. Denk eraan: in de tegenwoordige tijd schrijf je bij 'ik' de stam van het werkwoord.
1. Ik 1 (fietsen) elke dag naar school.
2. Ik 1 (kopen) een nieuwe tas voor mijn boeken.
3. Ik 1 (wachten) even op mijn vriend bij de ingang.
4. Ik 1 (vinden) deze opdracht erg makkelijk.
Vraag 2
Hieronder zie je verschillende vormen van het werkwoord 'lopen'. Sorteer deze vormen in de juiste categorie: de ik-vorm, stam + t (hij/zij/het vorm), of de meervoudsvorm (infinitief).
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Ik-vorm |
| 2 | Stam + t |
| 3 | Meervoudsvorm (infinitief) |
| loop | |
| loopt | |
| lopen |
Vraag 3
Kies het juiste werkwoord voor de onderstaande zin. Let goed op het onderwerp.
Hij __________ elke dag met de bus naar school.
- A.gaan
- B.gaat
- C.ga
Vraag 4
Lees de zinnen hieronder over sport en school. Onderstreep elk werkwoord in de tegenwoordige tijd dat eindigt op een '-t'.
De coach loopt naar het veld en fluit hard. Hij wacht tot iedereen klaarstaat. Daarna start de training. Sander trapt de bal hoog in de lucht en kijkt goed. De scheidsrechter roept iets, maar de speler luistert niet. Ondertussen leert de docent in het lokaal veel nieuwe stof.
Vraag 5
Vervoeg het werkwoord 'werken' in de tegenwoordige tijd (tt). Gebruik de juiste vorm voor elke persoon.
Vervoeg het werkwoord werken (Nederlands).
| tegenwoordige tijd | |
|---|---|
| ik | |
| jij | |
| hij/zij/het | |
| wij | |
| jullie | |
| zij (meervoud) |
Vraag 6
Verander de onderstaande zinnen van de eerste persoon (ik) naar de derde persoon (hij). Let goed op de uitgang van het werkwoord.
| Ik loop snel naar school. | |
| Ik speel buiten in het park. | |
| Ik word morgen eindelijk beter. | |
| Ik reis altijd met de trein. |
Vraag 7
Schrijf zelf drie zinnen over hobby's die je graag doet. Gebruik in elke zin de persoonsvorm (pv) in de tegenwoordige tijd. Zorg dat je in jouw zinnen spreekt over een ander persoon (hij of zij) of dat je een vraag stelt aan een ander (jij). Onderstreep in elke zin de persoonsvorm.
Vraag 8
Bekijk de onderstaande zin. Is de persoonsvorm in deze zin op de juiste manier geschreven?
"Mijn broer fiets elke dag naar school."
- A.Ja, het is correct geschreven.
- B.Nee, het moet zijn: "mijn broer fietst".
- C.Nee, het moet zijn: "mijn broer fietsen".