Ga naar inhoud

De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd1 vmbo-g

Zin om je lesvoorbereiding voor Nederlands sneller klaar te hebben? Dit werkblad over de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd voor 1 vmbo-g bevat 8 opdrachten, variërend van meerkeuzevragen tot het zelf vervoegen van werkwoorden. Print het direct uit voor je klas of pas de teksten snel aan naar eigen inzicht.

Werkblad

De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd

Nederlands · 1e jaar Vmbo-g

Oefenen met de persoonsvorm: Tegenwoordige tijd

Om de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd te bepalen, gebruik je altijd de 'ik-vorm' als basis, ook wel de stam genoemd. Bij 'ik' schrijf je de stam. Bij de andere enkelvoudsvormen (hij, zij, het, u) neem je de stam en plak je er een 't' achter. Voor de meervoudsvormen (wij, jullie, zij) gebruik je simpelweg het hele werkwoord zoals het in het woordenboek staat.

Vraag 1

Vul de juiste ik-vorm in. Denk eraan: in de tegenwoordige tijd schrijf je bij 'ik' de stam van het werkwoord.

1. Ik   1   (fietsen) elke dag naar school.

2. Ik   1   (kopen) een nieuwe tas voor mijn boeken.

3. Ik   1   (wachten) even op mijn vriend bij de ingang.

4. Ik   1   (vinden) deze opdracht erg makkelijk.

Vraag 2

Hieronder zie je verschillende vormen van het werkwoord 'lopen'. Sorteer deze vormen in de juiste categorie: de ik-vorm, stam + t (hij/zij/het vorm), of de meervoudsvorm (infinitief).

Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.

Categorieën
1Ik-vorm
2Stam + t
3Meervoudsvorm (infinitief)
loop
loopt
lopen

Vraag 3

Kies het juiste werkwoord voor de onderstaande zin. Let goed op het onderwerp.

Hij __________ elke dag met de bus naar school.

  • A.gaan
  • B.gaat
  • C.ga

Vraag 4

Lees de zinnen hieronder over sport en school. Onderstreep elk werkwoord in de tegenwoordige tijd dat eindigt op een '-t'.

De coach loopt naar het veld en fluit hard. Hij wacht tot iedereen klaarstaat. Daarna start de training. Sander trapt de bal hoog in de lucht en kijkt goed. De scheidsrechter roept iets, maar de speler luistert niet. Ondertussen leert de docent in het lokaal veel nieuwe stof.

Vraag 5

Vervoeg het werkwoord 'werken' in de tegenwoordige tijd (tt). Gebruik de juiste vorm voor elke persoon.

Vervoeg het werkwoord werken (Nederlands).

tegenwoordige tijd
ik
jij
hij/zij/het
wij
jullie
zij (meervoud)

Vraag 6

Verander de onderstaande zinnen van de eerste persoon (ik) naar de derde persoon (hij). Let goed op de uitgang van het werkwoord.

Ik loop snel naar school.
Ik speel buiten in het park.
Ik word morgen eindelijk beter.
Ik reis altijd met de trein.

Vraag 7

Schrijf zelf drie zinnen over hobby's die je graag doet. Gebruik in elke zin de persoonsvorm (pv) in de tegenwoordige tijd. Zorg dat je in jouw zinnen spreekt over een ander persoon (hij of zij) of dat je een vraag stelt aan een ander (jij). Onderstreep in elke zin de persoonsvorm.

Vraag 8

Bekijk de onderstaande zin. Is de persoonsvorm in deze zin op de juiste manier geschreven?

"Mijn broer fiets elke dag naar school."

  • A.Ja, het is correct geschreven.
  • B.Nee, het moet zijn: "mijn broer fietst".
  • C.Nee, het moet zijn: "mijn broer fietsen".

Dit werkblad, mét antwoorden, in je eigen omgeving

Maak een gratis account en dit werkblad staat direct voor je klaar: antwoordmodel erbij, elke vraag aanpasbaar en te downloaden als Word of PDF.

Meer werkbladen Nederlands

FAQ

Vragen over de werkbladen

Ja. Alle openbare werkbladen zijn gratis te gebruiken in je les. Wil je het werkblad downloaden als Word of PDF, of de antwoorden bekijken, dan maak je een gratis LesLoket-account aan.