Oefenblad: Persoonsvorm en onderwerp
Nederlands · 2e jaar Vmbo-b
Oefenblad: Persoonsvorm en onderwerp vinden
De persoonsvorm (pv) is het werkwoord in een zin dat verandert als je de zin in een andere tijd zet, of als je het getal verandert (van enkelvoud naar meervoud). Het onderwerp (ow) is de persoon of het ding dat de actie uitvoert. Je vindt het onderwerp door te vragen: 'Wie of wat + pv?'. Bijvoorbeeld in de zin 'De jongen eet een appel' stel je de vraag: 'Wie eet?'. Het antwoord is 'De jongen', dus dat is het onderwerp.
Vraag 1
Onderstreep in de onderstaande zinnen alleen de persoonsvorm (pv). Vergeet niet dat de persoonsvorm verandert als je de zin in de verleden tijd zet of het getal (enkelvoud/meervoud) verandert.
De jongen voetbalt elke dag op het plein. Wij lopen samen naar de winkel. De hond blaft heel hard naar de postbode. Jij helpt mij bij deze moeilijke som.
Vraag 2
Lees de volgende zin: 'De snelle hond achtervolgt de postbode.' Wat is de juiste vraag die je moet stellen om het onderwerp van deze zin te vinden?
- A.Wat is achtervolgt?
- B.Wie of wat achtervolgt de snelle hond?
- C.Wie of wat achtervolgt?
- D.Wie of wat achtervolgt de postbode?
Vraag 3
Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Kijk goed naar het onderwerp van de zin. Is het onderwerp enkelvoud of meervoud?
1. De jongen 1 elke dag naar school. (fietsen)
2. De leerlingen 1 een goed werkblad. (maken)
3. Mijn broer 1 graag voetbal op televisie. (kijken)
Vraag 4
Hieronder staan vier zinnen die in de verleden tijd zijn geschreven. Onderstreep/markeer in elke zin de persoonsvorm (PV). Tip: maak de zin langer of verander de tijd als je twijfelt.
1. De jongen fietste gisteren door de stad. 2. Wij speelden vorige week een spannend potje voetbal. 3. Mijn broertje knipte zelf zijn eigen haar. 4. De docent lachte om de grappige opmerking.
Vraag 5
Zet de zinsdelen in de juiste volgorde om een correcte zin te vormen. Het onderwerp van de zin staat niet direct bij de persoonsvorm.
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| gelukkig | |
| alle vermoeide spelers | |
| Na de zware wedstrijd | |
| bleven | |
| nog even in de kleedkamer. |
Vraag 6
Verdeel de woorden uit de onderstaande zinnen over de juiste kolommen. Zoek eerst de persoonsvorm (PV) en daarna het onderwerp (OW). De andere zinsdelen schrijf je samen in de kolom 'Rest'.
| Zin | PV | OW | Rest |
|---|---|---|---|
| De hond blaft hard in de tuin. | |||
| Morgen eten wij patat. |
Vraag 7
Soms gaat het mis in een zin omdat de persoonsvorm en het onderwerp niet bij elkaar passen qua getal (enkelvoud of meervoud). Hieronder staan drie zinnen met zo'n fout. Verbeter de zinnen zodat ze grammaticaal wel kloppen.
- De leerlingen van groep 8 loopt naar buiten.
- Mijn vrienden vindt dat een erg flauw grapje.
- De hond uit de buurt blaffen de hele nacht.
Vraag 8
Bedenk een zin over dieren in een dierentuin. In jouw zin moet het onderwerp meervoud zijn (bijvoorbeeld: 'de olifanten' of 'drie apen'). Schrijf de zin op en onderstreep het onderwerp en de persoonsvorm.