Wederkerende werkwoorden in het Duits
Duits · 5e jaar Gymnasium
Wederkerende werkwoorden (reflexieve werkwoorden) gebruik je wanneer de handeling van het werkwoord terugkeert bij het onderwerp van de zin. Je herkent ze aan het woordje 'sich' in de infinitief, zoals bij sich waschen (zich wassen). De vorm van het reflexiefvoornaamwoord verandert mee met de persoon: voor de eerste en tweede persoon enkelvoud gebruik je mich of dich. Voor de derde persoon enkelvoud en meervoud kies je altijd sich. Bij de eerste en tweede persoon meervoud gebruik je uns of euch. Kijk dus altijd goed naar wie het onderwerp is om de juiste vorm te bepalen.
Vraag 1
Kies het juiste reflexief voornaamwoord voor de volgende zin op het niveau van 5 gymnasium:
Tu ............... dépêches pour ne pas rater le train.
- A.me
- B.te
- C.se
- D.nous
Vraag 2
Duitse wederkerende werkwoorden hebben vaak een net andere vertaling dan je zou verwachten. Koppel de werkwoorden in de linkerkolom aan de juiste Nederlandse betekenis in de rechterkolom.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| sich auskennen mit | sich haasten |
| sich irren | zich vervelen |
| sich langweilen | zich vergissen |
| sich merken | ergens verstand van hebben |
| sich beeilen | onthouden (in je geheugen prenten) |
Vraag 3
Vul in de onderstaande zinnen het juiste wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons, jullie) in. Let hierbij goed op het onderwerp van de zin en de positie van het voornaamwoord bij een scheidbaar werkwoord. 1. Hij 1 zich nooit 2 na het sporten (afdouchen). 2. Wij 3 ons elke ochtend 4 (klaarmaken). 3. Waarom 5 jij je nooit 6 als je hem ziet? (verbergen). 4. Jullie 7 jullie 8 zo makkelijk 9 (opwinden/over).
Let op: bij zin 4 hoort een voorzetting van het scheidbaar werkwoord.
Vraag 4
Sorteer de onderstaande Franse werkwoorden in de juiste categorie. Bepaal of het werkwoord 'verplicht' wederkerend is (het komt in de standaardvorm altijd met 'se' voor) of dat het werkwoord ook in een niet-wederkerende vorm kan voorkomen.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Alleen wederkerend (pronominaal) |
| 2 | Kan wederkerend én niet-wederkerend zijn |
| s'évanouir | |
| laver (se laver) | |
| se souvenir | |
| tromper (se tromper) | |
| habiller (s'habiller) | |
| se moquer |
Vraag 5
Vervoeg hieronder het wederkerend werkwoord 'sich interessieren' in de tegenwoordige tijd (Präsens).
Vervoeg het werkwoord sich interessieren (Deutsch).
| Tegenwoordige tijd | |
|---|---|
| 1e enk. | |
| 2e enk. | |
| 3e enk. | |
| 1e meerv. | |
| 2e meerv. | |
| 3e meerv. |
Vraag 6
Vertaal de onderstaande Nederlandse zinnen naar het Duits. Let bij deze zinnen extra op het gebruik van wederkerende voornaamwoorden (bijvoorbeeld 'sich', 'uns', 'euch') en de juiste plek in de zin.
1. Ik verheug me op onze vakantie. 2. Herinner jij je nog die mooie dag? 3. Wij hebben ons gisteren prima vermaakt.
Vraag 7
Bekijk de volgende zin: "De moeder kleedt het kind aan." Herschrijf deze zin zodat het een wederkerende handeling wordt. Gebruik daarbij het wederkerend voornaamwoord op de juiste plek. Leg daarna kort uit wat het verschil in betekenis is tussen de oorspronkelijke zin en jouw nieuwe zin.
Vraag 8
Zet de onderstaande woorden in de juiste volgorde om een correcte Duitse zin te vormen. Let goed op de positie van het wederkerend voornaamwoord (sich).
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| sich | |
| hat | |
| Fehler | |
| geärgert | |
| seinen | |
| er | |
| über |