Persoonlijk Voornaamwoord: Nominatief vs. Accusatief
Duits · 3e jaar Vwo
Oefenblad: Persoonlijke voornaamwoorden in de naamvallen
In het Duits bepaalt de naamval de vorm van het voornaamwoord. Gebruik de nominatief wanneer het voornaamwoord het onderwerp van de zin is (wie of wat doet iets?). Gebruik de accusatief als het voornaamwoord het lijdend voorwerp is (op wie of wat wordt de handeling uitgevoerd?). Een handig ezelsbruggetje is om jezelf af te vragen: "Wie voert de actie uit?" (nominatief) versus "Wat of wie ondergaat de actie?" (accusatief). Zo wordt uit "Ich sehe den Hund" duidelijk dat "den Hund" de accusatiefvorm is, omdat de hond ondergaat dat hij gezien wordt.
Vraag 1
Vul de tabel in met de juiste persoonlijke voornaamwoorden. Gebruik de nominatief (wie-vorm) en de accusatief (lijdend voorwerp-vorm).
| Persoon | Nominatief | Accusatief |
|---|---|---|
| 1e ev (ik) | ik | |
| 2e ev (jij) | jij | |
| 3e ev (hij) | hij | |
| 1e mv (wij) | wij |
Vraag 2
In de onderstaande tekst staan verschillende persoonlijke voornaamwoorden. Onderstreep elk persoonlijk voornaamwoord in de tekst. Zet daarna achter elk onderstreept woord of het in de nominatief (N) of in de accusatief (A) staat.
Ik zie hem staan in de gang. Jij roept mij, maar ik hoor jou niet. Hij begroet ons heel vriendelijk.
Vraag 3
Vul de juiste vorm van het persoonlijk voornaamwoord in de accusatief in. Denk goed na over het geslacht van het onderwerp of het lijdend voorwerp.
- Ich sehe 1 (er) im Park.
- Wir besuchen 1 (sie/mv) morgen.
- Sie ruft 1 (ich) an.
- Hast du 1 (es/het boek) gelesen?
Vraag 4
Kies het juiste voornaamwoord voor de volgende zin. Let hierbij goed op de zinsbouw en de vraag naar wie of wat het handelend voorwerp is:
De docent geeft het boek aan (...).
- A.hij (onderwerpsvorm)
- B.hem (meewerkend voorwerpsvorm)
- C.zijn (bezittelijke vorm)
- D.haar (onderwerpsvorm)
Vraag 5
Elke zin hieronder bevat een fout in het gebruik van een persoonlijk voornaamwoord in de naamval. Koppel de foute zin aan de juiste, verbeterde versie.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Ich sehe ihr in dem Park. | Er hat für dich ein Geschenk gekauft. |
| Das Buch gehört mich. | Kommst du mit uns? |
| Er hat für du ein Geschenk gekauft. | Das Buch gehört mir. |
| Kommst du mit wir? | Ich sehe sie in dem Park. |
Vraag 6
Vertaal de onderstaande zinnen naar het Duits. Let bij de persoonlijke voornaamwoorden goed op de juist naamval (accusatief of datief).
1. Ik zie hem in de tuin. 2. Hij geeft mij het boek. 3. Wij bezoeken jullie morgen. 4. Zij helpt hem bij het huiswerk.
Vraag 7
Sorteer de vetgedrukte persoonlijke voornaamwoorden uit de onderstaande zinnen in de juiste categorie. Kijk naar hun rol in de zin: zijn ze het onderwerp (nominatief) of het lijdend voorwerp (accusatief)?
- Ich sehe den Hund.
- Er fragt mich.
- Heute besuchen wir unsere Freunde.
- Der Lehrer lobt dich.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Nominatief (onderwerp) |
| 2 | Accusatief (lijdend voorwerp) |
| Ich | |
| mich | |
| wir | |
| dich |
Vraag 8
Schrijf twee zelfbedachte zinnen: 1. Gebruik in de eerste zin het persoonlijk voornaamwoord 'mich'. 2. Gebruik in de tweede zin het persoonlijk voornaamwoord 'dich'. Leg bij beide zinnen kort uit waarom je hier voor deze specifieke vorm kiest (denk aan de rol in de zin).
Let op: je antwoord is goed als je de vorm correct gebruikt als lijdend voorwerp (accusativus) en dit kort kunt onderbouwen.