Aan de slag met Duitse vraagwoorden
Duits · 3e jaar Vmbo-g
Snel aan de slag met vraagwoorden
Om goed Duits te kunnen spreken, is het belangrijk dat je de juiste vraagwoorden kent. Denk aan woorden als 'wer', 'was' en 'wo'. Ze helpen je om gesprekken te beginnen en de weg te vragen in een Duitstalig land. Zonder deze woorden blijft een gesprek vaak beperkt tot korte antwoorden. In deze opdracht fris je je geheugen op zodat je weer vlot een vraag kunt stellen.
Vraag 1
Koppel de Duitse vraagwoorden aan de juiste Nederlandse vertaling.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Wer | Waar |
| Was | Waarom |
| Wo | Wat |
| Wann | Wanneer |
| Warum | Wie |
Vraag 2
Vul het juiste vraagwoord in de zin in. Kies uit: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe. 1. 1 ga je vanavond eigenlijk naartoe? 2. 2 heb je die nieuwe telefoon gekocht? 3. 3 is er verantwoordelijk voor deze taak? 4. 4 ben je zo verdrietig vandaag? 5. 5 moet je doen om dit examen te halen?
Vraag 3
Welk vraagwoord past het beste bij het onderstreepte zinsdeel in de zin hieronder? Ik ga morgen naar het ziekenhuis voor een controle.
De vraag is: "________ ga je naar het ziekenhuis?"
- A.Wie
- B.Waarom
- C.Wanneer
- D.Hoe
Vraag 4
Onderstaande woorden geven antwoord op verschillende vragen over een handeling. Sleep elk woord naar de juiste categorie: plaats, tijd of reden.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Plaats (Waar?) |
| 2 | Tijd (Wanneer?) |
| 3 | Reden (Waarom?) |
| vandaag | |
| daarom | |
| boven | |
| straks | |
| hier | |
| doordat |
Vraag 5
Bedenk bij de onderstaande antwoordzin een passende vraag die begint met een vraagwoord (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe). Zorg dat de vraag logisch aansluit bij wat er in het antwoord staat.
Antwoord: De docent geeft morgenmiddag om twee uur de extra uitleg in het lokaal op de begane grond.
Vraag 6
Stel je voor dat ik een antwoord geef op een vraag. Welke vraag zou ik gesteld kunnen hebben als het antwoord is: ‘Ik kom uit Amsterdam.’ en welke vraag past bij dit antwoord: ‘Ik ga naar de bioscoop.’ Denk hierbij goed aan de betekenis van herkomst en richting.