Modale werkwoorden en wissen in het Duits
Duits · 3e jaar Vmbo-t
Modale werkwoorden en 'weten': Zo gebruik je ze goed
Modale werkwoorden (zoals kunnen, willen, mogen, moeten) geven aan wat de bedoeling of mogelijkheid van een handeling is. In een zin staat het modale werkwoord op de tweede plek, net als een gewone persoonsvorm. Het andere werkwoord (het hoofdwerkwoord) staat in de infinitief (het hele werkwoord) helemaal aan het einde van de zin. Bijvoorbeeld: 'Ik moet vandaag huiswerk maken.'
Vraag 1
Vervoeg het Duitse modale werkwoord 'wollen' in de tegenwoordige tijd (Präsens).
Vervoeg het werkwoord wollen (Deutsch).
| Präsens | |
|---|---|
| ich | |
| du | |
| er/sie/es | |
| wir | |
| ihr | |
| sie/Sie |
Vraag 2
Kies de juiste vorm van het werkwoord 'wissen' voor de onderstaande zin:
De docent .......... de tekst van het bord voordat de volgende les begint.
- A.wist
- B.wijd
- C.wisd
- D.wisst
Vraag 3
Vul het juiste modale werkwoord (kunnen, moeten, willen, mogen, zullen) in bij elke zin over hobby's. Kies steeds de vorm die grammaticaal klopt.
1. Als het droog is, 1 wij buiten voetballen in het park.
2. Ik 1 dit weekend echt mijn gitaarlessen afmaken.
3. Jij 1 al heel goed piano spelen voor je leeftijd.
4. Wij 1 liever gaan tennissen in plaats van zwemmen.
Vraag 4
Hieronder staan verschillende werkwoordsvormen (modale werkwoorden). Geef aan of de vorm in het enkelvoud (singular) of in het meervoud (plural) staat.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Enkelvoud (singular) |
| 2 | Meervoud (plural) |
| kan | |
| moeten | |
| wil | |
| mogen | |
| zult | |
| kunnen |
Vraag 5
Zet de zinsdelen in de juiste volgorde. Zorg dat het modale werkwoord op de tweede positie staat en het hele werkwoord (de infinitief) aan het einde van de zin komt te staan.
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| Ik | |
| maken | |
| moet | |
| vandaag | |
| huiswerk |
Vraag 6
Vertaal de volgende Nederlandse zinnen naar het Duits. Let bij het vertalen goed op de vervoeging van de modale werkwoorden (zoals müssen, können, wollen, mogen, sollen, dürfen).
1. Wij moeten vandaag onze kamer opruimen. 2. Hij wil straks naar de bioscoop gaan. 3. Kun jij mij morgen helpen?
Vraag 7
Je gebruikt de modale werkwoorden 'willen', 'kunnen' en 'mogen' om aan te geven wat je wensen of mogelijkheden zijn. Beantwoord de volgende drie vragen over je eigen dag in het Nederlands. Gebruik in elk antwoord een modaal werkwoord. 1. Wat wil je vandaag absoluut nog doen? 2. Wat kun je goed, waar anderen misschien hulp bij nodig hebben? 3. Wat mag je van jezelf vandaag wel doen na het maken van dit huiswerk?