Aan de slag met Duitse keuzevoorzetsels
Duits · 5e jaar Havo
Duitse keuzevoorzetsels: Wechselpräpositionen in de praktijk
Bij de Duitse keuzevoorzetsels (an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen) bepaal je de naamval door te kijken naar de situatie. Stel jezelf de vraag: "Staat het vast of is er beweging?". Bij "wo" (de locatie) gebruik je de 3e naamval, omdat het gaat om een vaste plek. Bij "wohin" (de richting of beweging naar een doel toe) gebruik je de 4e naamval, omdat er sprake is van een verandering van positie. Kortom: wo = 3e naamval (geen beweging), wohin = 4e naamval (richting of beweging).
Vraag 1
Duitse keuzevoorzetsels (Wechselpräpositionen) hangen af van de vraag die je stelt. Gebruik 'Wo' (waar?) voor een vaste plek en 'Wohin' (waarheen?) voor een beweging naar een plek toe. Plaats de zinsdelen in de juiste categorie:
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Wo (plaats) |
| 2 | Wohin (richting) |
| auf dem Stuhl sitzen | |
| in den Park laufen | |
| hinter das Haus gehen | |
| unter dem Tisch stehen | |
| an die Wand hängen | |
| neben dem Schrank stehen |
Vraag 2
Welke naamval is het juiste antwoord in de volgende zin? Let op het voorzetsel.
Ich gehe in ___ Park.
(Denk eraan: geeft het voorzetsel hier een richting (waarheen?) of een plaats (waar?) aan?)
- A.das (accusatief)
- B.dem (datief)
- C.des (genitief)
- D.den (accusatief)
Vraag 3
Vul de juiste uitgangen in voor het lidwoord bij de datief (meewerkend voorwerp) in deze statische zinnen. Baseer je op het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
- Der Lehrer steht bei d 1 Fenster (das Fenster).
- Das Buch liegt auf d 1 Tisch (der Tisch).
- Die Kinder spielen mit d 1 Lampe (die Lampe).
- Wir sind in d 1 Ferien (die Ferien).
Vraag 4
Vul de juiste vorm van het lidwoord in voor de zinnen met beweging (Accusatief). Kies uit: den, die, das of ein.
- Ich gehe in 1 Supermarkt.
- Wir laufen in 1 Kino.
- Er springt in 1 Wasser.
- Sie fährt in 1 Schweiz.
Vraag 5
Duitse keuzevoorzetsels (wechselpräpositionen) kunnen een plek (wo?) of een richting (wohin?) aangeven. Onderstreep/markeer in de onderstaande zinnen het zinsdeel dat aangeeft waar iets zich bevindt (plek) of waarheen iets beweegt (richting).
1. Wir sitzen in dem Garten. 2. Ich gehe in den Garten. 3. Das Buch liegt auf dem Tisch. 4. Er legt das Buch auf den Tisch. 5. Die Kinder spielen hinter dem Haus. 6. Die Kinder laufen hinter das Haus.
Vraag 6
Vul in de onderstaande tabel de juiste vorm van het bepaald lidwoord (der, die, das) in voor de aangegeven naamvallen. Let bij de 3e en 4e naamval op of het substantief in de nominatief mannelijk (m), vrouwelijk (f) of onzijdig (n) is.
| Zelfstandig naamwoord | Nominatief | 3e naamval (Dativ) | 4e naamval (Akkusativ) |
|---|---|---|---|
| der Tisch (m) | der | ||
| die Lampe (f) | die | ||
| das Fenster (n) | das |
Vraag 7
Vertaal de onderstaande zinnen naar het Duits. Let bij de keuzevoorzetsels goed op het juiste naamvalgebruik (accusatief bij richting, datief bij plaats).
Ik zet de stoel in de hoek. De stoel staat nu in de hoek.
Vraag 8
Schrijf een tekst van ongeveer 50 woorden waarin je jouw ideale kamer beschrijft. Gebruik in je tekst minstens drie verschillende keuzevoorzetsels (in, auf, an, über, unter, neben, vor, hinter, zwischen) die een verplaatsing aangeven. Let op: bij verplaatsing gebruik je het vierde naamval (Accusativ).