Aan de slag met Duitse vraagwoorden
Duits · 4e jaar Vmbo-b
Aan de slag met vraagwoorden
Vraagwoorden (zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe) zijn je beste vrienden als je informatie zoekt. Of je nu een tekst in een krant leest of een gesprek voert met iemand: door deze woorden te gebruiken, krijg je met één simpele vraag precies de details die je nodig hebt.
Vraag 1
Koppel de Duitse vraagwoorden aan de juiste Nederlandse betekenis. Trek een lijn tussen het Duitse woord aan de linkerkant en de juiste vertaling aan de rechterkant.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Wer | Wie |
| Was | Waarom |
| Wo | Waar |
| Wann | Wanneer |
| Warum | Wat |
Vraag 2
Vul het juiste vraagwoord in. Kies uit: Wie, Wat of Wanneer.
1. 1 is die jongen met de rode pet?
2. 1 heb jij in je rugzak zitten?
3. 1 begint de voetbalwedstrijd vandaag?
Vraag 3
Kies het juiste vraagwoord om de vraag over plaats of richting compleet te maken: "__________ kom je vandaan?"
- A.Wo
- B.Woher
- C.Wohin
Vraag 4
Welk vraagwoord hoort bij welke categorie? Sleep de woorden naar de juiste plek.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Vraagt naar een persoon |
| 2 | Vraagt naar een tijdstip |
| 3 | Vraagt naar een plek |
| Wie | |
| Wanneer | |
| Waar | |
| Hoelaat | |
| Waarheen | |
| Welke persoon |
Vraag 5
Vul de juiste vraagwoorden in. Kies uit: Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom.
1. 1 ga je vanavond doen? - Ik ga een film kijken.
2. 1 komt er naar het feest? - Mijn hele klas komt.
3. 1 ben je zo verdrietig? - Omdat ik mijn telefoon kwijt ben.
Vraag 6
Je leest de volgende zin: "Ik ga morgen naar het ziekenhuis voor een controle." Welk vraagwoord ontbreekt als je "naar het ziekenhuis" wilt achterhalen?
- A.Waarom
- B.Waarheen
- C.Wanneer
- D.Hoe