Aan de slag met wederkerende werkwoorden in het Duits
Duits · 4e jaar Vmbo-k
Oefenen met wederkerende werkwoorden
Wederkerende werkwoorden (in het Duits: 'reflexive Verben') gebruik je als het onderwerp van de zin iets met zichzelf doet. Denk aan 'ich wasche mich' (ik was me). Bij deze werkwoorden hoort een voornaamwoord dat meeverandert met de persoon: bij 'ich' hoort 'mich', bij 'du' hoort 'dich' en bij 'er', 'sie' of 'es' hoort 'sich'.
Vraag 1
Kies het juiste wederkerend voornaamwoord om de zin aan te vullen: "De jongen schaamt __________ omdat hij een fout maakte tijdens de presentatie."
- A.zich
- B.mezelf
- C.hem
- D.zijn
Vraag 2
Vul het juiste wederkerend voornaamwoord in (me, je, zich, ons, jullie). Let op de persoon van het onderwerp.
- Ik verheug 1 op de vakantie.
- Zij vergist 1 over de tijd van de afspraak.
- Wij amuseren 1 prima op dit feestje.
- Jij verbergt 1 achter de gordijnen.
Vraag 3
Vervoeg de volgende wederkerende werkwoorden in het Duits voor de aangegeven personen. Let op de plaats van het wederkerend voornaamwoord (mich, dich, sich).
| Infinitief | ich | du | er/sie/es |
|---|---|---|---|
| sich waschen | |||
| sich freuen | |||
| sich setzen |
Vraag 4
Verbind de Duitse zinnen met het wederkerend werkwoord aan de juiste Nederlandse vertaling.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Ich wasche mich jeden Morgen. | Hoe voel je je vandaag? |
| Wie fühlst du dich heute? | Ik was me elke ochtend. |
| Wir freuen uns auf den Urlaub. | Hij haast zich, omdat hij laat is. |
| Er beeilt sich, weil er spät dran ist. | Wij verheugen ons op de vakantie. |
Vraag 5
Sorteer de onderstaande zinnen op basis van het onderwerp. Bij welke vorm hoort het wederkerend voornaamwoord? Sleep de zinnen naar de juiste categorie.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Ik-vorm (mezelf) |
| 2 | Jij-vorm (jezelf) |
| 3 | Hij/zij/het-vorm (zichzelf) |
| Ik was mezelf in de douche. | |
| Jij verveelt je vandaag enorm. | |
| Hij kleedt zich snel aan voor school. | |
| Ik vergis mezelf telkens in de tijd. | |
| Zij schaamt zich voor die lelijke trui. | |
| Waarom schaam jij je eigenlijk? |
Vraag 6
Lees het onderstaande verhaaltje over een drukke ochtend. Onderstreep alle wederkerende voornaamwoorden (zoals 'zich', 'me', 'je') die je in de tekst tegenkomt.
Het is maandagochtend. Ik haast me uit bed, want ik heb me verslapen. Snel was ik me bij de wasbak en kleed me aan. Mijn broer verbergt zich onder zijn kussen, hij wil er niet uit. Ik maak me klaar voor school en roep hem: 'Schiet eens op, we gaan ons te laat melden bij de les!'
Vraag 7
Vertaal de volgende zinnen over het dagelijks leven naar het Duits. Let bij deze zinnen goed op het gebruik van de juiste wederkerende voornaamwoorden (zoals 'mich', 'dich', 'sich').
1. Ik verheug me op het weekend. 2. Wij wassen ons elke ochtend. 3. Jij houdt je met sport bezig.
Vraag 8
Wederkerende werkwoorden gebruik je voor handelingen die je bij jezelf uitvoert. Denk aan 'zich wassen' of 'zich aankleden'. Schrijf zelf een zin in de tegenwoordige tijd waarin je een wederkerend werkwoord gebruikt om een dagelijkse ochtendactiviteit te beschrijven.