Duitse vraagwoorden en kennismaken
Duits · 1e jaar Havo
Vraagwoorden en kennismaken
Nieuwe mensen ontmoeten kan spannend zijn. In de eerste weken op de middelbare school leer je veel klasgenoten kennen. Om een gesprek te beginnen, moet je de juiste vragen stellen. Op dit werkblad oefen je met de belangrijkste vraagwoorden, zodat je straks makkelijk een praatje maakt of informatie vraagt in de klas.
Vraag 1
Koppel de Duitse vraagwoorden aan de juiste Nederlandse betekenis.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Wer | Wie |
| Was | Wat |
| Wo | Waarvandaan |
| Woher | Waar |
| Wie | Hoe |
Vraag 2
Vul de juiste Duitse vraagwoorden in. Kies uit: Wie, Wo, Woher, Was
1. 1 heißt du?
2. 1 kommst du?
3. 1 wohnst du?
Vraag 3
Kies het juiste vraagwoord in de onderstaande zin voor een gesprek op school:
“______ kom je vandaan?”
- A.Wo
- B.Woher
- C.Wohin
Vraag 4
Bekijk de onderstaande vragen en sorteer ze op basis van wat voor soort antwoord er wordt gevraagd. Klik op de juiste categorie voor elke vraag.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Naam of Persoon |
| 2 | Woonplaats of Land |
| Wie is jouw beste vriend? | |
| Waar woon je? | |
| Uit welk land kom je? | |
| Hoe heet je leraar? |
Vraag 5
Zet de woorden in de juiste volgorde om een correcte Duitse vraag te maken. Begin de zin met een hoofdletter en eindig met een vraagteken.
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| ? | |
| du | |
| Woher | |
| kommst |
Vraag 6
Lees hieronder het korte kennismakingsgesprek. Markeer alle vraagwoorden (zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, hoeveel) en onderstreep daarnaast het werkwoord dat direct bij die vraag hoort.
Sam: "Hallo, ik ben Sam! Hoe heet jij?" Lisa: "Ik ben Lisa. Waar woon jij in de stad?" Sam: "Ik woon in het centrum. Waarom kom jij eigenlijk naar deze school?" Lisa: "Omdat mijn vriendinnen ook hier zitten. Wanneer begint jouw eerste les?" Sam: "Mijn les begint om negen uur. Hoeveel vakken heb jij vandaag?"
Vraag 7
Je bent op een Duitstalige school en wilt nieuwe klasgenoten leren kennen. Vertaal de onderstaande Nederlandse vragen naar het Duits.
Hoe heet jij? Waar woon je? Hoe oud ben je?
Vraag 8
Stel je voor: er komt een nieuwe klasgenoot uit Duitsland bij jou in de klas. Omdat hij nog niet veel mensen kent, wil je hem helpen zich thuis te voelen. Bedenk drie vragen die je aan hem kunt stellen om hem beter te leren kennen. Gebruik hiervoor elk van de volgende vraagsoorten: één vraag die begint met een vraagwoord (wie, wat, waar, hoe), één vraag die je met 'ja' of 'nee' kunt beantwoorden, en één vraag waarin je naar een hobby of voorkeur vraagt.