Naamvallen: Der-groep en Ein-groep in de praktijk
Duits · 2e jaar Havo
Duits: Naamvallen in de Der-groep en Ein-groep
In het Duits bepalen naamvallen hoe woorden in een zin met elkaar verbonden zijn. Door het juiste lidwoord te kiezen, geef je aan of een woord het onderwerp is, of dat er iets mee gebeurt. Bekijk hieronder het overzicht van de Der-groep en de Ein-groep. Gebruik dit schema als hulpmiddel bij je opdrachten; het helpt je om snel de juiste uitgang te vinden voor elke situatie.
| Naamval | Der-groep (m/v/o) | Ein-groep (m/v/o) |
|---|---|---|
| Nominatief (onderwerp) | der / die / das | ein / eine / ein |
| Accusatief (lijdend voorwerp) | den / die / das | einen / eine / ein |
| Datief (meewerkend voorwerp) | dem / der / dem | einem / einer / einem |
| Genitief (bezit) | des / der / des | eines / einer / eines |
Vraag 1
Kies het juiste lidwoord voor de volgende zin: "Ich habe __________ Hund gesehen." (Hund is mannelijk en staat in de accusatief.)
- A.der
- B.den
- C.ein
- D.dem
Vraag 2
Vul de juiste uitgang in voor de woorden uit de ein-groep (mein, dein, sein, ihr, unser, euer, ihr / kein). Let op de naamval:
- Ich sehe 1 (mein / mannelijk / accusatief) Bruder im Garten.
- Das ist 1 (dein / vrouwelijk / nominatief) Tasche.
- Wir kaufen 1 (kein / onzijdig / accusatief) Buch heute.
Vraag 3
Onderstreep in onderstaande tekst alle lijdend voorwerpen (accusativus) in de bijbehorende zinnen. De zinnen gaan over familieleden en bezit.
Ich besuche meinen Bruder. Meine Mutter sucht ihren Schlüssel. Das Kind hat keinen Ball. Er liebt seinen Vater.
Vraag 4
Sommige Duitse voorzetsels krijgen altijd de datief. Verbind elk voorzetsel in de linkerkolom met de bijbehorende naamval die erbij hoort.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| mit | 3e naamval (Datief) |
| von | 3e naamval (Datief) |
| zu | 4e naamval (Accusatief) |
| für | 3e naamval (Datief) |
Vraag 5
Bekijk de onderstaande zinsdelen. Deze zinsdelen zijn allemaal (met uitzondering van enkele voorzetsels) afkomstig uit Duits-Duitse zinnen. Plaats elk zinsdeel in de juiste categorie op basis van de naamval die erbij hoort: Nominatief, Accusatief of Datief.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Nominatief |
| 2 | Accusatief |
| 3 | Datief |
| der alte Mann | |
| einen kleinen Hund | |
| dem guten Lehrer | |
| das schöne Kind | |
| den neuen Tisch | |
| einer netten Frau |
Vraag 6
Vertaal de onderstaande zinnen naar het Duits. Let bij elk lidwoord en elk bijvoeglijk naamwoord goed op de datief meervoud (de uitgang -n voor het bijvoeglijk naamwoord).
1. Ik geef de kleine kinderen een appel. 2. Zij helpen de oude mensen met de bagage.
Vraag 7
Schrijf zes Duitse zinnen over je hobby's. Gebruik voor de eerste drie zinnen een lidwoord uit de der-groep (zoals 'der', 'die', 'das') en voor de volgende drie zinnen een lidwoord uit de ein-groep (zoals 'ein', 'kein', 'mein'). Zorg dat je in totaal ten minste twee verschillende naamvallen (bijvoorbeeld nominatief en accusatief) correct gebruikt.