Kleidung und Farben: Meine Sachen
Duits · 2e jaar Vmbo-b
Kleidung und Farben: Wat trek jij vandaag aan?
Vandaag ga je aan de slag met kleding en kleuren in het Duits. Je leert hoe je benoemt wat je draagt en welke kleur een kledingstuk heeft. Na deze oefening kun je makkelijk vertellen wat jouw lievelingsoutfit is!
Vraag 1
Koppel de Duitse woorden voor kledingstukken aan de juiste Nederlandse betekenis.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| die Jacke | de schoen |
| das Hemd | de jas |
| die Hose | het overhemd |
| der Schuh | de broek |
| der Rock | de rok |
Vraag 2
Kies de juiste kleur voor het kledingstuk in de zin hieronder:
Das T-Shirt von Jan ist blau, aber seine Hose ist __________. (Tip: denk aan de kleur van gras.)
- A.rot
- B.grün
- C.gelb
- D.weiß
Vraag 3
Vul de juiste Duitse woorden in. Denk aan de kleur of het kledingstuk.
- 1. Im Winter trage ich eine warme 1 .
- 2. Mein Lieblings-T-Shirt ist 1 .
- 3. Ich trage heute eine schwarze 1 .
- 4. Im Sommer sind meine Schuhe 1 .
Vraag 4
Sorteer de kledingstukken hieronder in de juiste categorie. Kies uit: 'Damen', 'Herren' of 'Beide'.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Damen |
| 2 | Herren |
| 3 | Beide |
| Das Kleid | |
| Die Krawatte | |
| Die Jeans | |
| Der Rock | |
| Die Socken | |
| Der Anzug |
Vraag 5
Lees de onderstaande zinnen. Onderstreep/markeer elk kledingstuk met een groene kleur en elke kleur die in de zin staat met een gele kleur.
Ich trage heute ein blaues T-Shirt. Mein Vater sucht seine schwarze Hose. Sie kauft einen roten Pullover. Der Junge hat ein weißes Hemd an.
Vraag 6
Zet de woorden in de juiste volgorde om een correcte Duitse zin te maken. Let goed op de zinsbouw (de persoonsvorm op de tweede plaats).
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| Er | |
| eine | |
| Jacke. | |
| blaue | |
| trägt |
Vraag 7
Vertaal de onderstaande zinnen met kleding en kleuren naar het Duits. Let op: gebruik het juiste lidwoord en zorg dat de kleur bij het kledingstuk past.
1. Ik draag een blauwe broek. 2. De rode trui is erg mooi. 3. Mijn zus heeft een witte jas aan.
Vraag 8
Bekijk de kleding die je vandaag draagt. Schrijf een tekst van 3 tot 4 zinnen waarin je vertelt wat je aanhebt. Benoem bij elk kledingstuk ook de kleur. Gebruik hiervoor het Duits (bijvoorbeeld: 'Ich trage eine blaue Hose').