Ga naar inhoud

Basis van Erfelijkheid: Genotype en Fenotype3 gymnasium

Bespaar jezelf wat werk met dit biologie-werkblad over erfelijkheid en kruisingen, perfect voor je 3 gymnasium-klas. Je vindt 6 uitdagende vragen inclusief meerkeuze, invuloefeningen en kruisingsschema's die je direct kunt printen of naar wens kunt aanpassen.

Werkblad

Basis van Erfelijkheid: Genotype en Fenotype

Biologie · 3e jaar Gymnasium

Oefenen met kruisingen en erfelijkheid

Bij biologie kijken we vaak naar hoe eigenschappen van ouders worden doorgegeven aan hun kinderen. Jouw genotype is de verzameling erfelijke informatie in je DNA. Hoe dat er uiteindelijk uitziet, bijvoorbeeld welke kleur ogen je hebt, noemen we het fenotype. Eigenschappen worden bepaald door genen. Een dominant gen wint het altijd van een recessief gen. Als je voor een eigenschap twee gelijke genen hebt, ben je homozygoot (bijvoorbeeld twee keer het gen voor bruine ogen). Heb je voor die eigenschap twee verschillende genen, dan ben je heterozygoot (je draagt dan bijvoorbeeld zowel het gen voor bruine als voor blauwe ogen bij je).

Vraag 1

Een erwtplant heeft de erfelijke eigenschap voor een gele kleur (genotype ). Omdat de plant door veel zonlicht op een bijzondere bodem groeit, zijn de bladeren en stengels ongewoon donkergroen gekleurd. Welke uitspraak over deze plant is juist?

  • A.Het genotype is geel, het fenotype is ongewoon donkergroen.
  • B.Het genotype is ongewoon donkergroen, het fenotype is geel.
  • C.Zowel het genotype als het fenotype zijn ongewoon donkergroen door de bodemgesteldheid.
  • D.Zowel het genotype als het fenotype van deze erwtenplant zijn geel.

Vraag 2

Vul de juiste termen in bij de volgende zinnen over de overerving van eigenschappen:

  1. Wanneer een organisme voor een bepaalde eigenschap twee gelijke allelen op de chromosomen heeft, noemen we dit   1  .
  2. Als de twee allelen in een paar verschillend zijn, dan is het genotype   1  .
  3. Een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype, zelfs als er maar één van aanwezig is, noemen we het   1   allel.
  4. Een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als het organisme er twee van heeft, noemen we het   1   allel.

Vraag 3

Stel bij een erwtenplant een kruising op tussen een homozygote ouder met paarse bloemen (dominant, genotype PP) en een homozygote ouder met witte bloemen (recessief, genotype pp). Schrijf de kruising uit in de vorm van genotype-notatie voor de oudergeneratie (P) en de nakomelingen (F1).

Stap 1:
Stap 2:
Stap 3:
Eindantwoord:

Vraag 4

Bij erwtenplanten is de kleur geel (A) dominant over de kleur groen (a). Een tuinder kruist twee heterozygote planten die beide gele zaden hebben. Stel het kruisingsschema (Punnett-square) op en bereken de kans dat het nageslacht groene zaden heeft. Gebruik de volgende stappen voor je notatie.

Stap 1:
Stap 2:
Stap 3:
Stap 4:
Eindantwoord:

Vraag 5

Stel dat bij een bepaalde erfelijke eigenschap de kans op een recessief kenmerk bij een kind precies 25% is (oftewel een kans van ). Een echtpaar krijgt vier kinderen. Betekent dit dat er in elk gezin van vier kinderen automatisch precies één kind is met dit recessieve kenmerk? Leg je antwoord uit.

Vraag 6

Bij erwtenplanten wordt de kleur van de zaadlobben bepaald door één gen. De allele voor gele zaden (A) is dominant over de allele voor groene zaden (a). Een plant met genotype wordt gekruist met een plant met genotype .

Bepaal met behulp van een kruisingsschema bij welke kans (in procenten) de nakomelingen groene zaden zullen hebben en leg je redenering uit.

Dit werkblad, mét antwoorden, in je eigen omgeving

Maak een gratis account en dit werkblad staat direct voor je klaar: antwoordmodel erbij, elke vraag aanpasbaar en te downloaden als Word of PDF.

Meer werkbladen biologie

FAQ

Vragen over de werkbladen

Ja. Alle openbare werkbladen zijn gratis te gebruiken in je les. Wil je het werkblad downloaden als Word of PDF, of de antwoorden bekijken, dan maak je een gratis LesLoket-account aan.