Aan de slag met het werkwoord Être
Frans · 1e jaar Vwo
Aan de slag met het werkwoord Être
Het werkwoord "être" (zijn) is een van de belangrijkste woorden in het Frans. Je gebruikt het constant om omschrijvingen te maken: wie ben je? Bijvoorbeeld als je zegt dat je leerling bent (Je suis élève), of wat je bent, zoals je nationaliteit of je humeur. Omdat je het zo vaak nodig hebt, is het essentieel dat je de vervoegingen van dit werkwoord uit je hoofd kent. Zie het als de basisbouwsteen voor vrijwel elk gesprek in het Frans. Oefen deze vormen goed, zodat je ze straks zonder nadenken uit je mouw schudt!
Vraag 1
Vul de tabel in met de juiste vorm van het werkwoord 'être' in de 'présent' (tegenwoordige tijd).
Vervoeg het werkwoord être (Français).
| présent | |
|---|---|
| je | |
| tu | |
| il/elle/on | |
| nous | |
| vous | |
| ils/elles |
Vraag 2
Koppel de juiste vorm van het werkwoord 'être' (zijn) aan het voornaamwoord.
| Begrip | Definitie (in willekeurige volgorde) |
|---|---|
| Je | sont |
| Nous | êtes |
| Ils | es |
| Tu | sommes |
| Vous | suis |
Vraag 3
Vul de juiste vorm van het werkwoord 'être' in op de open plaatsen in de onderstaande zinnen:
- Je 1 français.
- Nous 1 hollandais.
- Elles 1 espagnoles.
Vraag 4
Stel je voor: iemand belt aan en je wilt zeggen dat jij het bent. Welke zin is grammaticaal correct om je identiteit te bevestigen?
- A.C'est moi.
- B.Il est moi.
- C.Suis-je moi.
- D.Elle est moi.
Vraag 5
Lees onderstaande tekst over een groep vrienden. Er staan op verschillende plekken twee vormen van het werkwoord 'être'. Markeer per situatie de juiste vorm van het werkwoord en streep de foutieve vorm door.
Salut! Je suis / es Marc. Nous sommes / sont dans le parc avec mes amis. Sophie est / êtes très sympa. Vous êtes / est aussi avec nous, Lucas et Thomas. Ils sont / sommes heureux de jouer ensemble.
Vraag 6
Sleep de juiste vervoeging van het werkwoord être naar de juiste categorie (enkelvoud of meervoud). Let goed op het onderwerp!
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | Enkelvoud (je, tu, il/elle/on) |
| 2 | Meervoud (nous, vous, ils/elles) |
| suis | |
| es | |
| est | |
| sommes | |
| êtes | |
| sont |
Vraag 7
Vertaal de volgende zinnen naar het Frans. Gebruik hierbij steeds de juiste vorm van het werkwoord 'être'.
1. Ik ben aardig. 2. Zij is student. 3. Wij zijn in Parijs.
Vraag 8
Schrijf drie zinnen in het Frans waarin je jezelf en vrienden omschrijft. Gebruik in elke zin een vorm van het werkwoord 'être'. Volg de instructies hieronder:
- Gebruik 'je' om iets over jezelf te vertellen (bijvoorbeeld je nationaliteit of karakter).
- Gebruik 'nous' om te vertellen wat jij en een vriend zijn (bijvoorbeeld sportief of vrolijk).
- Gebruik 'ils' om iets te vertellen over twee andere vrienden (bijvoorbeeld dat zij sympathiek of grappig zijn).