Aan de slag met de Present Simple
Engels · 1e jaar Vwo
De Present Simple: Hoe werkt het?
De Present Simple is de tijd die we in het Engels gebruiken voor twee belangrijke dingen: gewoontes (dingen die je regelmatig doet) en feiten (dingen die altijd waar zijn). Denk maar aan: "I play football every day" of "The sun rises in the east". Let op bij he, she en it: dan plak je er bijna altijd een -s achter het werkwoord. Dus: "He plays football" en "It rises in the east".
Vraag 1
Vul de juiste vormen van het werkwoord 'to work' in bij de onderstaande personen in de Present Simple.
Vervoeg het werkwoord to work (English).
| Present Simple | |
|---|---|
| I | |
| you | |
| he/she/it | |
| we | |
| you | |
| they |
Vraag 2
Vul de correcte vorm van het werkwoord in. Let op de spelling bij 'he', 'she' of 'it'.
1. My brother 1 (to play) football every Saturday. 2. She 2 (to study) hard for her exams. 3. The dog 3 (to watch) the birds in the garden. 4. He 4 (to fly) to London for his work. 5. It 5 (to fix) the problem quickly.
Vraag 3
Kies de juiste vorm van het werkwoord voor in de zin:
My brother usually _________ very fast when he is nervous.
- A.talk
- B.talks
- C.talking
- D.talkes
Vraag 4
Plaats de onderstaande werkwoorden in de juiste kolom voor de 'third person singular' (he/she/it). Let goed op de spelling van de uitgang.
Schrijf het nummer van de categorie in het vakje voor het woord.
| 1 | + -s |
| 2 | + -es |
| 3 | verander y naar -ies |
| run | |
| watch | |
| study | |
| play | |
| fix | |
| carry |
Vraag 5
Verander de volgende bevestigende zinnen in ontkennende zinnen. Gebruik 'do not' of 'does not' in de zinnen.
1. I like pizza. -> I 1 like pizza.
2. She plays tennis. -> She 1 play tennis.
3. They visit us often. -> They 1 visit us often.
4. He works at the bank. -> He 1 work at the bank.
Vraag 6
Zet de zinsdelen in de juiste volgorde om correcte vragen in de Present Simple te vormen.
Zet in de juiste volgorde door 1, 2 of 3 in te vullen:
| they | |
| Do | |
| every | |
| play | |
| Saturday? | |
| football |
Vraag 7
Kies de zin waarin de vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd (Present Simple) helemaal correct is. Let goed op het gebruik van 'does' in vragen en ontkenningen.
- A.Does she eats ice cream every day?
- B.Does she eat ice cream every day?
- C.She does not eats ice cream every day.
- D.She doesn't eats ice cream at all.
Vraag 8
Schrijf een kort stukje tekst van vier zinnen over de ochtendroutine van jouw beste vriend of een klasgenoot in het Engels. Gebruik hiervoor de 'Present Simple' (tegenwoordige tijd). Vergeet niet de uitgang '-s' of '-es' achter de werkwoorden te zetten als dat nodig is (bij de derde persoon enkelvoud: he, she, it).